Start
Wie zijn we
Kwartierstaten
Post parentelen
vSchaick parentelen
Deelparentelen
Zeeuwse parentelen
Ohrbeck
Memories
Bedankt
Links
Gastenboek
Liverpool

 Email naar Herman

 

als pdf                                                                                                                                

KAREL  POST’S LAATSTE LEVENSDAGEN

25 FEBRUARI t/m 15 APRIL 1945

(Naverteld door een van zijn lotgenoten.) 

Op Zondag 25 Februari maakte ik kennis met Karel Post.  Zelf bij een ontvluchtingspoging gepakt en zittende in een celletje bij het grenskantoor aan de weg Oldenzaal - Bentheim werd hij een paar dagen na mij binnengebracht, in gezelschap van 2 van zijn vrienden.  In dit celletje hebben wij gezeten tot Dinsdag 27 Februari, vanwaar we met nog andere lotgenoten overgebracht werden (loopende) naar het 8 km, verder gelegen Bentheim, waar we in een cel op het station werden ingesloten.  Wij rammelden van den honger, want al die dagen hadden wij geen eten gehad, maar daar werd het na een paar dagen beter en kregen we ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds een weinig eten.  Karel en ik hebben daar nog meegeholpen bij een verhuizing, waarbij we nog een goed maal op de kop tikten, alsmede een sigaar.  Vooral de laatste was een zeer groote luxe.  Intusschen werden we gekeurd en de 2 vrienden van Karel werden afgekeurd.  Daarna werden we met de anderen in de nacht van Donderdag op Vrijdag afgevoerd (met handboeien aan) in de richting Osnabrüek.  Wij wisten toen al, dat we 8 weken straflager voor de boeg hadden.

Dit straflager was gelegen in Ohrbeck, plm. 5 km. ten Z.O. van Osnabrück.  Het was een vreeselijk kamp.  Er werd niet georganiseerd gemarteld, maar men liet de gestraften practisch gesproken den hongerdood sterven.  We kregen ‘s ochtends een klein stukje brood en ‘s avonds ½  -3/4  liter knollensoep.  Bij zeldzame gelegenheden kregen we het iets beter.  We hebben bijv. op een Zondag gehad: aardappelen met peertjes, alsmede een bal gehakt en jus, maar dat was dan ook een godenspijs.

Het werk, wat wij te doen hadden, was vrij eentonig en langdurig.  We werkten plm. van ‘-s morgens 6 uur tot Is avonds 6 uur, maar het werd ook wel eens later.  Rustpauze kenden we niet en we hadden zelfs geen tijd om even een “blaasje te pikken”.  De eerste 3 weken werkten we bij het graven van een sleuf in een zeer leemige heuvel, de tweede periode van ons verblijf in Ohrbeck was gewijd aan het hopelooze  werken aan het herstel van het steeds opnieuw gebombardeerde emplacement te Osnabrück.  Tegen de aanhoudende luchtaanvallen waren wij zeer goed beschermd. niet omdat ze zoo bang voor ons waren, maar meer omdat onze bewakers zelf doodsbenauwd waren en eventueele ontvluchtingspogingen tijdens een bombardement voorkomen moesten worden.  Karel, die al zeer mager was, toen ik hem leerde kennen, viel met de dag nog meer af, evenals wij allemaal trouwens, maar hij hield er nogal goed de moed in. hoewel hij er op het laatst beroerd uitzag met zijn kaalgeschoren hoofd en in zijn boevenkleeding.

Aan alles komt gelukkig een eind, zoo ook aan het Ohrbecksche verblijf.  Op Zaterdag 31 Maart rukten wij plotseling niet uit naar het werk, de commandant van het kamp bleek reeds weg te zijn, als ook een deel der bewaking.  Wij kregen onze kleeren en eigendommen terug en werden op straat gezet.  Hier hebben we eerst een tijd in een bosch gekampeerd. niet wetende waarheen te gaan, aangezien we een derde bij ons hadden, welke zwaar ziek was.  Tenslotte hebben we hem ‘s avonds naar het ziekenhuis in Ohrbeck gebracht, waar ook wij één dag verpleging hebben genoten, We konden ons eindelijk weer eens wasschen en onze door hongeroedeem opgezette voeten en bij Karel ook zijn kapotte handen werden goed verzorgd.  Den volgenden avond echter moesten we het ziekenhuis tot onzen spijt weer verlaten, maar toen hebben we in de nabijheid een boerin bereid gevonden ons onderdak te verschaffen. We zeiden, dat we wilden werken voor de kost, maar toen de boerin onze deplorabele toestand zag wilde ze daar niets van weten en heeft ze ons een week lang meer dan uitstekend verzorgd.  Toen wij tenslotte weggingen hebben we nog spek, boter, eieren, brood en melk meegekregen voor onze gezinnen in Holland (wij wisten toen n.l. nog niet beter of Holland was reeds bevrijd).  Op Zaterdag 7 April vertrokken we van Ohrbeck over Lenggerich naar Greven, waar het eerste opvangkamp voor buitenlanders was.  Hier werden we ingekwartierd in een door de Duitschers verplicht ontruimd huis, waar wij tweeën heer en meester waren en de beschikking hadden over een groot fornuis met zoowel de middelen om er in te stoken als om er op te koken.  Er stond n.l. nog een complete wek, alsmede gezoute groenten, ingemaakte eieren etc. in de kelder.  Ondanks de buitengewoon goede week, die wij achter den rug hadden waren we nog uitgehongerd en we hebben daar gegeten als wolven, waarbij we bijna vochten om de eer, wie het eten mocht koken.

In de nacht van Dinsdag op Woensdag, dus van 10 op 11 April, werd Karel ziek, had buikpijn etc.  ‘e Middags was het zoo erg, dat ik hem naar het ziekenhuis bracht, vanwaar hij direct doorgetransporteerd werd naar het groote ziekenhuis ter plaatse en geopereerd.  Aanvankelijk liet het zich goed aanzien,’ mocht hij zelfs al zeer gauw weer iets eten en drinken, hoewel hij toch een darmoperatie ondergaan had (darmverkl.eving!). Is Zaterdags zou ik verder getransporteerd worden (ook al op doktersbevel), zoodat ik afscheid van hem genomen heb, maar aangezien we Is Zondags pas weggingen, ging ik dien dag nog even afscheid nemen.  In het ziekenhuis aangekomen echter vernam ik tot mijn groote schrik dat Karel dien morgen, Zondag 15 April 1945, om 8 uur het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld had.  Hij is heel kalm en rustig ingeslapen, ik veronderstel zonder het besef te hebben, dat hij dood ging.  In Greven heb ik nog zoowel met de directie van het ziekenhuis als met de Engelsche bevelvoering eenige regelingen getroffen voor zijn begrafenis, welke naar ik mag veronderstellen zeer behoorlijk heeft plaatsgehad.

Als directe doodsoorzaak werd mij opgegeven: hartszwakte.

Herbegraven op ereveld te Loenen (gld)